Published December 3, 2004
| Version v1
The Rise of the Warrior Goddess in Ancient India: A Study of the Myth Cycle of Kauśikī-Vindhyavāsinī in the Skandapurāṇa
Description
The Rise of the Warrior Goddess in Ancient India: A Study of the Myth Cycle of Kauśikī-Vindhyavāsinī in the Skandapurāṇa. University of Groningen, 2004.
Notes
SAMENVATTING
Door de eeuwen heen hebben mensen uit verschillende sociale lagen in India een groot aantal godinnen vereerd. Wetenschappers van binnen en buiten India zijn door deze variatie en complexiteit gefascineerd. Vooral in de laatste decennia is er, ook naar aanleiding
van de groeiende interesse voor vrouwenstudies, een sprong gemaakt in de kwantiteit en kwaliteit van onderzoek op het gebied van de verering van godinnen. Op het gebied van historisch onderzoek moet er echter nog veel gebeuren; met name de oudste geschiedenis is tot nog toe onderbelicht gebleven. Dit proefschrift is bedoeld aan dit onderzoek een bijdrage te leveren.
Hoewel er een grote variatie bestond in de verering van godinnen in India, was er ook steeds meer de neiging om verschillende godinnen te integreren, wat leidde tot het ontstaan van een concept van 'de Godin' (Devī). Integratie van godinnen in 'de Godin' houdt in dat deze godinnen worden beschouwd als verschijningsvormen van 'de Godin', op verschillende plaatsen en tijdstippen en met verschillende doelen. De complexiteit van de materie bestaat daarin dat er niet slechts één 'Godin' is. Er waren vele niveaus van en ideeën over integratie, zodat er een veelheid aan types en voorstellingen van 'de Godin' ontstond. 'De Godin' is daardoor een interessante maar verwarrende figuur voor wetenschappers gebleken. Deze verwarring komt deels voort uit het feit dat er nog weinig bekend is over de vroegste geschiedenis van 'de Godin', oftewel hoe het idee van 'de Godin' is ontstaan. Dit komt deels doordat het filologische onderzoek naar het omvangrijke corpus van de Puranische literatuur, dat gezien kan worden als de rijkste literaire bron ten aanzien van de verering van godinnen vanaf de vierde eeuw, nog in ontwikkeling is, en deels doordat relevante literaire bronnen over de vroegste geschiedenis van 'de Godin' schaars en fragmentarisch zijn.
Hierin is verandering gekomen door de publicatie van het Skandapurāṇa in 1988 in Kathmandu, uitgegeven door Kṛṣṇa Prasāda Bhaṭṭārāī, gevolgd door Adriaensen, Bakker en Isaacson die in 1994 de tekst correct identificeerden als het oorspronkelijke Skandapurāṇa. Dit oorspronkelijke Skandapurāṇa is een van de oudste Śaiva Pūraṇas. Het is waarschijnlijk in de zesde of zevende eeuw geschreven in het noorden van India. Niet alleen de oudheid van de tekst, maar ook het feit dat de tekst bewaard is gebleven in drie vroege manuscripten, gedateerd in de negende tot tiende eeuw, geeft een vrij stevige basis voor historisch onderzoek naar de inhoud. Wat betreft de vroegste geschiedenis van 'de Godin' bevat het oorspronkelijke Skandapurāṇa de zeventien-en-een-half hoofdstukken lange mythen-cyclus van Kauśikī-Vindhyavāsinī (hierna de Kauśikī-cyclus genoemd). De idee van 'de Godin' is vanaf ongeveer de zesde eeuw in de Indiase literatuur te vinden. Het beeld van 'de Oppergodin', de hoogste godheid die boven alle andere mannelijke en vrouwelijke goden staat, komt voor het eerst voor in het Devīmāhātmya, waarschijnlijk 360 Samenvattingte dateren in de tweede helft van de achtste eeuw. 'De Oppergodin' werd in deze tekstgëınterpreteerd als śakti, d.w.z. 'een in het hele universum voelbare kracht'. Dit werd dan ook het belangrijkste concept in de godinnen cultus in India. 'De Krijgsgodin', een van de vormen van 'de Godin', werd in deze tekst tot de status van 'de Oppergodin' verheven.
'De Krijgsgodin' is een krijgshaftige vorm van 'de Godin'. In haar zijn de agressieve godinnen ge¨ıntegreerd aan wie meestal het doden van demonen wordt toegeschreven. In de mythologie van de Krijgsgodin/Oppergodin in het Devīmāhātmya nemen haar twee heldendaden van het doden van demonen een belangrijke plaats in. Deze werden oorspronkelijk in verband gebracht met twee godinnen, Mahiṣāsuramardinī 'de godin die de buffeldemon doodt' en Vindhyavāsinī 'de godin die in het Vindhya-gebergte woont'. Om de vroegste geschiedenis van 'de Godin' te achterhalen, is het dus van belang te onderzoeken hoe, voordat het Devīmāhātmya werd geschreven, deze twee demonen dodende godinnen, Mahiṣāsuramardinī en Vindhyavāsinī, in het Hindu pantheon terechtkwamen en zich ontwikkelden tot 'de Krijgsgodin'.
Voor dit onderzoek is de Kauśikī-cyclus uit het oorspronkelijke Skandapurāṇa op een aantal punten waardevol. Ten eerste is het hoofdthema van deze mythen-cyclus Vindhyavāsinī's gevecht met de demonen Sumbha en Nisumbha, twee broers. Dit is de vroegste bron die uitvoerig verslag doet van haar heldendaad, het doden van de demonen. Ten tweede bevindt de tekst zich chronologisch gezien tussen de Harivaṃśa, die de eerste verwijzing naar Vindhyavāsinī bevat, en het Devīmāhātmya. De tekst kan dus informatie geven over het middenstadium van de ontwikkeling van Vindhyavāsinī , vanaf haar positie in de Harivaṃśa tot die in het Devīmāhātmya. Ten derde is de Vindhyavāsinī -mythe in deze mythen-cyclus ingebed in de ´Saiva mythologie, terwijl deze godin in de Harivaṃśa in de Bhāgavata/Vaiṣṇava mythologie verschijnt. Een vergelijking van de twee bronnen kan dus nuttig zijn om haar affiniteit met de twee belangrijkste tradities van deze periode objectief te kunnen toetsen. Ten slotte wordt de Vindhyavāsinī -mythe in deze mythencyclus aangevuld met een korte vertelling over haar gevecht met de buffeldemon. Dit is de vroegste bron waarin het doden van een buffel door een godin in een verhalende vorm genoemd wordt. Naast de andere vroege, maar fragmentarische bronnen over deze mythe, en de grote hoeveelheid 'Mahiṣāsuramardinī-beelden' uit dezelfde tijd, geeft deze vertelling een beeld van de wisselwerking tussen Vindhyavāsinī en Mahiṣāsuramardinī.
Het eerste doel van dit proefschrift is om dit nieuwe materiaal, de mythen-cyclus van Kauśikī-Vindhyavāsinī in het Skandapurāṇa, te ontsluiten en beschikbaar te maken voor wetenschappers die ge¨ınteresseerd zijn in de mythologie van godinnen in India. De Engelse samenvatting van de gehele mythen-cyclus (Deel Twee) en de kritische editie van de delen die belangrijk zijn voor het onderzoek naar 'de Godin' (Deel Drie) vormen daarom een belangrijk bestanddeel van dit proefschrift. Op basis van de resultaten van onderzoek naar dit nieuwe materiaal beoogt de auteur daarnaast duidelijkheid te scheppen omtrent de geschiedenis van de ontwikkeling van de Krijgsgodin voordat zij haar status van 'de Oppergodin' bereikte in het Devīmāhātmya. Hierbij wordt de nadruk gelegd op de rol van Vindhyavāsinī . Dit onderzoek maakt Deel Een van het proefschrift uit.
Op grond van het onderzoek in Deel Een kan het ontwikkelingsproces van de Krijgsgodin als volgt worden samengevat: De godin die als 'Mahiṣāsuramardinī' omschreven kan worden, werd voor het eerst ge¨ıntroduceerd in de Kushana-tijd (eerste drie eeuwen van onze jaartelling) in de vorm van een aantal iconische afbeeldingen van een godin die een buffel doodt. De proto-mythe van Vindhyavāsinī heeft waarschijnlijk niet lang voor het ontstaan van de Harivaṃśa vorm gekregen (ca. vierde eeuw). Dit kan worden afgeleid uit elementen die de Harivaṃśa en het Skandapurāṇa gemeen hebben. In de gereconstrueerde proto-mythe wordt zij, mogelijk als beloning voor het doden van de demonen Sumbha en Nisumbha, door Indra geadopteerd als een zuster, krijgt ze de naam Kauśikī die is afgeleid van de Vedische wijze Kuśika, en krijgt ze het beheer over het Vindhya-gebergte. Vindhyavāsinī wordt daarmee opgenomen in het pantheon van de Hindu-dharma gemeenschap en de rechtmatige beschermvrouwe van het Vindhya-gebergte. Ze werd beschreven als een ontzagwekkende maagd met een donkere huid, die demonen doodt.