ZANG EN MUZIEK
Workum Vriesland.
Hier wordt op 3 november 1921 Rolof Ijbema geboren.
Zijn vader is kassier bij de Boeren Leenbank, waar tijdens de oorlog het bureau van de voedselcommissaris is gevestigd.
In de nacht van 23 augustus 1943 doet het verzet hier een overval om bondkaart te bemachtigen voor onderduikers.
Ijbema, een 21-jarige student weg- en waterbouw, wordt als zoon van de kassier gearesteerd.
Hij wordt opgesloten in het politiebureau van Workum, pal tegenover de Boeren Leenbank.
Ijbema wordt verhoord door de Ziegerheidsdienst.
En hoewel hij niets met de overval te maken heeft, wordt hij op transport gesteld naar Kamp Amersfoort.
Daar arriveert hij op 31 augustus 1943.
Wij liepen door Amersfoort, vriendelijk, mooie tuinen beschaafd, gezorgd.
We kwamen bij de poort van de concentratiekamp en op eens veranderde de wereld.
Er werd geschreeuwd, er werd gevloegd, er werd geraast en van alle rare dingen die we kunnen bedenken.
En we gingen naar binnen, de roze tuin in, later blikken toen dat dat de roze tuin was.
En daar werden we opgesteld en uitgesolven door een klein mannetje,
een beetje onanzienlijk, een beetje onhagenam vanuitlijk.
En het was onze vriend, Coutella.
Die liep onze namen af, heel uitvoordig en zovoort.
En toen kwam hij bij Ijbema.
Maar ik hoorde er niet, want Ijbema was voor mij iets onbekends, dus ik reageerde niet.
En toen kwam die kleine Coutella, kwam er aan en rennen, gaf mij een gevoelige trap tegen mijn staartbeentje.
En ik holde naar de barak waar de bekleidersroom was.
De nieuwe gevangenen, waaronder ook Ijbema,
werden in rijen opgesteld op de Appelplaats.
Daar worden ze door de SS ingedeeld voor de arbeid.
Toen verscheen op het Appelplaats, verscheen de commandant van het kamp Berg.
En die ging bij al die mensen vragen aan wat voor beroep ze hadden.
En ik zat vol spannend en ik dacht, wat moet ik zeggen?
Wat is de mogelijkheid?
Toen dacht ik even terug aan de schilderij dat ik pas beëindigd had.
En ik dacht bij mezelf, ik maak een kunstmaler van het kunstschilder, heb ik gezegd.
En hij zei, onmiddellijk prompt daarop, had je er een boekje staan?
Marij. En ik moest naar een ander groepje holen.
En toen werden ook de anderen allemaal gevraagd.
De meeste waren mensen van het land, agrariers enzovoort.
Maar ik had achteraf gebleken een hele zeldzame, een hele goeie...
en een hele bijzondere keuze gedaan door mij uit te geven voor kunstmaler.
En dat was later afgebleken, een soort beschermengel die op je schoudigin zitten.
Een hele sympathieke hore van de bos, dat was de chef van deze afdeling,
een afmannetje die gevangen was genomen vanwege hulp van joden.
En zovoort, die gaf mij een snel kus op het gebied van het huisschilder.
Dat was krabberen, dat was verwenen, dat was roeren in de verf.
En dat was op een bladder te staan.
En vervolgens de rampjesschilderen van het kamp, die je regelmatig bijgewerkt moesten worden.
En je zat er te strijken in zovoort en je hoorde vlaggen van gesprekken in zovoort.
En je was veilig, je was ver weg, want de ander kon even wegdroomen van thuis.
Van de boerderij, waar je geboren was en opgegroeid was.
En waar je geleefd had, daar droomde je van om daar weer naar terug te keren.
En niet tegen de hel en deze alende te moeten ondergaan.
In de Malerij heeft Ijbama een betrekkelijk veilige plek.
De dagelijksappels gaan meestal aan hem voorbij.
Maar bij de strafappels moet hij wel verschijnen.
En zo is hij getuigen van de marteling van een gevluchtige vangene.
Maar er was een jonge man die inderdaad een vluchtboving had gedaan.
En ergens buiten het kamp opgepakt was.
En die werd naar binnen gevoerd, die werd geschopt, die werd geslagen.
En die stond daar voor ons en wij stonden daar te kijken hoe dat allemaal gebeurde.
En hij kreeg een trap hier en kreeg een trap daar en kreeg een trap tegen zijn hoofd.
En het hoofd werd hoe langer, hoe roder, van bloed enzovoort.
En wij stonden daar en wij stonden daar en we keken daarna.
We konden niets.
En die jongen die zakte ineen en die zakte helemaal weg.
En plaatslag je op de grond.
Hij bewoog ook niet meer.
En toen was het afgelopen.
Toen werd hij naar binnen gebracht en werd hij naar de ziekenafdeling gebracht.
Om dat mee te maken, om dat te zien voor je ogen, dat trappen, dat schrijven,
dat roepen van die jongen.
Dat ging door, alles zijn nu nog.
Vanaf het najaar van 1943 worden groepen gevangenen van Kamp Amersfoort
op transport gesteld naar Riga, in Letland.
Ook Rulof Eiberma is aan de buurt.
Na een verblijf van 79 dagen in Kamp Amersfoort is hij getekend door de honger.
Onder begeleiding van de Duitsers gaan de gevangenen te voet naar het station van Amersfoort.
En we liepen naar het station.
En opeens hoorden we geschreeuw en geroep en gepreuw.
Dan zag ik de deuren opengaan van die villas.
Er komen vrouwen naar buiten met grote schaleren en zovoort,
met boterhammen en zovoort.
En ze zeggen eten, neem ze maar mee, neem ze mee jongens, neem ze maar mee.
En die Duitse begeleiders van ons, die schreeuwen en die wilden gaan schoppen.
Maar die vrouwen waren wel 10 keer zo snel dan die mannen en zovoort.
En zo nadenken we naar een station.
Het was een begroeting uit de hemel.
En toen kwam ik op het station.
En daar stond dat hele zaak aferschermd en zovoort van de rest.
En daar zag ik ook mijn vaderheid.
En ik zag hem een schoonschuster van mij.
Een schoonschuster had twee kaasjes in de handen.
En die gaf ze aan mij en die gaf ook een boek.
Achteraan bekeken we een heel apart geschenk in die situatie en zovoort.
En we konden nauwelijks afzetten,
want de bezoekers die werden weggejaagd en zovoort.
En we werden de trainingen duwen.
We konden de rampjes open doen.
We konden nog even wuiven, nog even een blik en nog even een groet.
En daar gingen we in de Oostelijke Rijden.
TV Gelderland 2021
