Het was een verwarrende zomer. Ik was alles kwijt in die priolen. Voor uitzichten 0,0. Weg, relatie, werk, zelf respect.
Alles, buiten enkele projecten waar ik me al vast hield, waar ik bleef in geloven. Al de rest was vervuld met grote twijfel.
Een vriend van me besloot dan ook om die verwarring te verlichten en me mee te nemen naar het zuiden van Engeland.
Meer bepaald de mythische uitvoeken waar de wereld nog resten vindt van het stenen tijdperk waar legende zoals koning Arthur en zijn redders tot leven komen en waar men heerst verdwaalde reizigers zoals mij de wegwijzen.
Met mijn laatste geld ging ik op reis. Ik zou wel zien nu waar, wat, wanneer en hoeveel. Het belangrijkste was rust te vinden. En met te laten inspireren door de magie van dit land.
De eerste dagen logeerden we bij een Engelse vriend. Hij was ons dankbaar voor het Belgische bier dat we voor hem mee brachten.
Hij woont in Seelsbury, een eonoud stadje met grootste kathedraal van groot Britannia. En niet veel verder lag het door een overvloed aan toeristen verstoorde Stonehenge.
Nog net recht op. Echte schatten vond je verborgen in het groen, weg van de massa.
Dat is, volgens mij, inderdaad een heel oude begraafplaats geweest. En het is schitterend omdat de landschappelde het hier ook omhelst.
Mijn zelfbeeld en dat van mijn naaste had een stevige knauw gekregen. En nu probeerde ik dat te herstellen in een juister en zuiverder perspectief te zien.
Al is het maar voor het goed van mijn kinderen. Ik wil ze niet opzadelen met mijn eigen lasten. Ik zal die van mij wel dragen.
Die dagen kampeerden we ook op een van de krachtigste plekken waar ik ooit was geweest.
Middenin maagdelijke heuvels lag het paard van Uffington, een patroon dat enkel vanuit groot hoogte goed te zien is.
En daar, op een halve kilometer vandaan, Dragon Hill.
Een heuvel waarin een grote kreidachtige witte plek gebrand lijkt als lava van kalk, die volgens de legenden veroorzaakt zou zijn door de bloed van de draak gedood door Sint Joris.
Op Dragon Hill toosten ik op mezelf en lied er een stukje verleden achter.
Ik troost op de voorouders. De oermoeder, de vaderlijn en de sleuwwagens en de vermeers.
Ik schommelde al veel te lang tussen twee extremen.
Dat ik tot het inzicht kwam dat ik van die extremen gesymboliseerd word, mijn adoptienaam en mijn natuurlijke achternaam, niet moest vluchten.
Nog ze trouw moest blijven, niet voor beide vaders.
Nog moest ik beantwoorden aan een onhaalbare tussenkreatie daarvan, van een man die ik niet kan zijn.
Niet voor mijn moeder. Ik moest leren trouw zijn aan mezelf.
Mijn innerlijk gevoel, niet de emotie, maar dat laag je daar achter.
Trouw aan de persoon die ik ben en die ik wil zijn. En dat is een nog grotere uitdaging.
Daar begint pas echter rebellie.
We streken neer naar Bijk-Clestonbury, met de tor als toegangspoort tot het land van Evelon.
Het land waar de elven zouden wonen en waar koning Arthur zich terug trok, vlak voor zijn dood.
Hier lijkt een andere wereld naar bij en heel even is het alsof de andere zich neervleet.
Nog even zoeken om uit de schaduw te kunnen treden.
Tot het duizelen toeverzamelde ik nog alle mogelijke krachten om de komende periode aan te kunnen.
Tot het zwart werd voor mijn ogen, de focus weg, niets meer dan stilte.
Het werd tijd om naar huis te gaan, om te doen wat ik moest doen.
Man en vader zijn, los van het verleden.
Heeft deze reis nu tot meer rust en inzichtig leid?
Rust? Nee, niet echt.
Wel, heeft deze trip voor een kleine verschuiving gezorgd.
Als gedachte rillend over de armen die bevestigen wat ik al lang wist.
Ik maak nu meer keuzes om willen van mezelf en niet omdat een ander het verwacht of ik denk dat een ander het verwacht.
In de schaduw van de zon zocht ik naar warmte, in de schaduw van de zon wordt het koud als je er niet uit gaat staan en je laat zien.
