p Huijden den 4„' augustus 1703„
Notiticeerde aan mijn. Jan Timmerman
boeckhouder op ’t schip„ Landhorst Recouneer=
rende naer 't vaderland ter presentie van de onder
genoemde getuijgen d:steer enin= Cristiaen put
gewesene ad=t fiscaal van nederl=k Jndia mijn
boeckhouder en getuijgen wel bekent zijn E. sunnen
indezen niet waaren geobserveert, het zelve
nogIans voor alle heeren, hooven, regten en
Regteren plaats grijpen zal, als off alles inde
beste forma was gedaan.
Eijndelijk versoekende d’E=de Heeren Eewint„
hebberen ter Came Amsterdam waarvoor hij
testateur is uitgevaaren; haar, voor zoo verre
zijn te goed hebbende maandgelden Aangaat,
gelieven te gedragen als Exccuteurs sandit
zijn testament
aldus gedaan En gepasseert in’t schip Kerk„
wijk dato als boven, ter presentie van
Hermanus Schutte bootsman Jan mulde
schieman en Gosewijn Haersma Constabel
als getuijgen hier toe versogt, die derminute
dezes benevens den te staten en mij het
zelve hebben ondertekent.
dis is het hansmerk
als getuijgen
van Jan Pietert
Harmanus Schutti
Quod attestor Rogatus
Jan meel en

Gosenijn Htaers ma G
oerhoude
1775.—
n, Eerste
rent, pre„
nt
uttctulair
buyten„
2
en sheeft
n hem ver„
arluijd
ongefoin„
de Tes
Gwveduwve„
szijnde de
g de on„
verens
tament
ijdelijke
ende
i Sicheeijden
Chepper
gde aarde.
alle zodanige
en van uijt„
Gemaakt heb„
re dispositie
door den
bij vermeld.
9 niet willen„
n nog nage„
waarde,
oversulks

ua
232
en
r
uli
ten

