Enelijk versoek ik de Edele hoog agtb: heeren
bewinthebberen ter Camer Amsterdam waar
ik in den Jaaren 1719. voor soldaat met ƒ10- per„
insComp: dienst ben aangenomen seer Eerbiedig
haar Edele agtb: voor zoverre mijn verdiende
gelden aangaat zig gelieven te gedraagen, als
meede Exeluteurs van dese mijn testament, i
verder niet
Voorts verklaaren ik ook nog aan mij te behoudene
magt onder de hand te moogen maken legateur
en ordineeren alles wat ik zal komen goed
vinden begeerende dat al het geene ik alzoo ha
komen te doen zal weesen van alzulke kragt alse
het in desen woordelijk verhaald en ofwettelijk
verleden was, al bleek het zelfs alleen maer
bij mijne apparte onderteekening
Alle
het geene voorschreeven staad verklaaren ik tet
teur tewesen mijn testament, laaste en uijttuste
wille meenig en begeerte, willende en begerendekt
al het selven na mijn overlijden zal agter volg
werden, en Effect sorteeren ’t zij als te stamnt
codicil gifte ter zaaken des doods of eenige
making. van uijtterste wille zodanig het ht
na regte zal komen of moogen bestaan, alweer
het zaaken dat hier inne eenige nadere solemnie
na regten requereerende waaren g’ommitteet
die ik in dien gevallen verklaaren te zouden
voor in deesen geinsereerd, Jmplorerende wort
het nobilie officium Judicis.
Laastelijk verklaaren ik ter voldoening a
tw
zegul ordinantie dat mijn besitting geen
duijsent rijxdaalders zal bedraagen
Aldus gedaan ende gelesteert in ’t Casteel
Colombo. den 11:e Maart Ao 1762— Zijnde vee
door
