10.
00.
o 363
7k: Johan hendrik muller, van Lauterbag
ik fessen onderkoopman secretaris alhier,
hebbe op heeden den 10. Julij in t Jaar Eer„
„duijzend sevenhondert wijff en sestig in
overweging, genoomen de swak in broosheijd
des menschelijke levens mits g:s de zeker„
„heid des doods en de onzekerheijd der uure
van die onben over zulx terade geworden
alvorens ik dese tijderikheyd mogte komen
te verlaten te dasponeeren over mijne nate„
—
stalene middelen doende ick zulx zonder
de minste induktie percuasie ofde misteidia„
„ge van iemand ter weveld maar vrij en
ongedwongen in maniere als volgd—
Voor af vermake aan de Gereformeerde
diakony armen te Kolembo een zommetje
van thien rd.s omme ses weeke na min
overleyden of zo dra het de omstandigheden
anders wel toelaten door mij ne natenoemen
Exlecuteurs de besorgers dier armen betaald
te worden
Van den onder mijn opzigt aangenomen
hebbende hooploper in Dienst der Ed:„
Compagnie marten hendrik boemen hebb
hebbe voor twee verkogte slaven onder
mijn berusting een bedraggen van een
hondert en vijftig rd:s welk insgelijks
versoeke dat aan hem moge affbetaald
worden met en benevens een sommetje van
vijftig rijxdaalders het welk ick hem bij dese
vals een Legaat schenke en vereere
Aan
1. lamp: kopere.
2. thie busjes
1. witte lakens rok.
1. paar schoen.
1. paruijk
1. hoed
4. Cammisools en 3. broeken en soorten.
1. quiperzol.
1. witte Camisool met zilvere knoopen
4 paren koussen.
verte
„ Muller
1779
Ng Compareerde
der Bengaelsche
Ten passeereen allers
liceerd present de
1
ullix geweezen Mssiss
2
Sighaem, echter bij zijn
rack gebruikende;
kerheid des Doods en
geworden te zijn over
voor of echter revocee
Codicillen door hem
rde hij Testateur geene
en uijt dien hooftd
te stellen de vrije
lx van alles wathij
en na te laeten
tuijgde geen twee
en benoemd hij te stag
Foeman Assistente
overleijden zijnen
hier voorgenoemde
rleenende alle Macht
Substitutie.is
Cratoren Adlites en
g zijnes boedels gereck
heid wel Expresselijk
lateur, zijn uijterste
land grijpen en
Codicil ofte zoodanig
haen.—
Aldus
4
91
