Elias Jacob Beynon 1779
E

In den Same des Heeren
Amen
Opheeden den 26 Maart 1770, heb ik my Jacobus Hendrik Paringauw onderkoopman en secret=s
van Politie ten deesen gouvernemente, Present de getuygen naegenoemd. op Expres ontbodt vervoegt ten
ten woonhuijsen, en voor het ziek bedde van den Eg Heer Elias Jacob Beynon, Afgaande Opperkoopman
deeser gouvernements, en G’Eligeert secunde van Ternaten hier Present, en staande Eerstdaags op zijn
Vertrik naer derwaarts zynde zieken, zwak dog zyn verstand zinnen, en Memorie ten vollen magtig
zoo als my secretaris bleek ende wy niet anders konde bemerken, dewelke overdenkende de seekerheydt
des doodts, en de onzeekere uure van dien te raade is geworden, te maken syn Testament en
uijterste wille, als willende niet uyt deese Heer Eld scheyden, zonder alvorena van zyne tydelyke
middelen hen van Podt Almachtig zoo genadig verleend te hebben Gedisponeerd, ten dien eijnhde
Revoceerende, dood ende te niet doende alle voorgaende Testamenten Codicille, off andere uiterste
willen, die door hem voor dato deeses mogte zyn gemaakt, ende gepasseert, niet willende dat
erenige van dien meer zullen mogen stand grypen, maar gehouden voor Nul kragteloos en
van geener waerde eeven off deselve nooit gepasseert waeren; beveelende hy Testateur zyn
Ontsterffelijke ziel, aan Godt zynen schepper, en het Lighaam den schoot der aarde tot
eene Eerlijke begraaffenigse;
In den Eersten verklaard den Testateur voor aff, te legateeren aan de diaconij Armen ter plaatse
daer zyn sterffhuis sal komen voor te vallen de somma van Vyff, en, Twintig Ryxd:t, eens sonder
Meer
—
wydert aan syne nog levende eenige susten Juffrouw Elionora Elisabeth Beynon
woonagtig te Amsterdam, de somma Van Vijfthondert Caroly Guldens eens sonder meer
Voorts Erelegateerd den Testateur, aan desselfs twee hoons, Fredrik Hendrik en
Jan daniel Beijnon alle syn Testateur boeken Manschripten chartres en famielje
Capieren, begeerende dat Broederlijk en Vreedsaam onder haar zulle verdeelt werden
Insgelyke aan desselfs bedste zoon, en Amboina Elias Iacob Beynon, Een stel goude
gespes, en Een stel goude nevens nog andere stelle borstroke snopen als door den Testateur
gedragen zijn, drie stukx Pourtracten, als dat van des testateurs Groodt vader, vader en
dat van zyn Eijgen, als meede een nieuwe blauwe rok met zilvre Almassen, en daer toe behorende
Wit Iatyn Camiscol nevens een hoed met een silvre Poinct D Espagne
Aan des Cestateur Ewee dogters Maria Barbara Beijnon, en Pedriana
Elisabeth Paulina Beynon, den eersten gehuurt met den koopman en
fiscaal te Maccassar van Blydenberg, en den laatsten met den Captair Jngeniem
te Batavia Tideon Dulez; zoo meede aan de Huysvrouw van de Testateurs oudste
zoon, in Amboina Juffrouw Johina Elisabeth Leverand, Vermaakt den Testatenr alle
de kleederen zoo zeyde wollen als linnen van zyne overledene Huysinue hunne Moeder
Johanna Kleinpenning om onder hun op eene Vreedsame wijse te werden verdeelt
en ten Laatsten bespreekt den Testateur aan desselfs scheon som D Heer
Fredrik Willem Hendrik van Blydenberg, Een nieuwe purpen Hluwele
Rok en broek
Chan ter finale dispositie treedende zoo nemineerd en institueert den Testateur tot
zyn enige unverseele Erfgenamen desselfs drie zoons en twee dogters, als Elias Jacob,
Fredrik Hendrik en Jan Daniel Beynen al drie Boekhouders in dienst der
E: Comp:, en Maria Barbara, en Adriana Elisabeth Caulina Beynon alle hier
voren gemeld en zulkx in alle het geene den Testateur net er dood t zal komen te ont=
ruimen, en Naertelaten, Poudt, zilver, Iuwelen, slaven, en slavinne Actien, en Crediten
niets uyt gesondert, en zulkx ider in een gelyk gedeelte met verdere begeerte dat de Juree
len niet zullen verkogt maar onder een behoorlyke Paxatie onder der Cestateur Voorm:
Twee dogters, op zoodanige Wijsen als zy best met den anderen zullen over een komen
verdeelt en dusdanig in Mindering van hunner Erffportie zullen moeten strekken
Zoo meede nog een Goudt horlogie met d=o haak ’t welk den Testateur begeert dat aan
zyn Jongsste dogten dulds. op even deselve Voorwaerde zal werden ter hand gesteld
zullende voor ’t overige alle het gemaakte, en Ongemaakte goudt, en zilver werk
nevens de Meubilaire en verdere goederen moeten ten gelden gemaakt werden, ten waere
daer onder iets mogt zijn, dat de voormelde der Testateurs kinderen, en Erfgenamen
in natira begeert te behouden wanneer zy lieden zig dan op een vreedsame wijse
met
11
1

