A: 24
Corij:
D
Jan van Wetteren

Oon Huijden den 8:' Iulij a„o 1724.
Compareerde voor mij nicolaas Crul, nots:
publ:, &amp;amp;:a, ende voor de naargenoemde getuijgen
Jan van Wetteren van Ramburg, boots„
„man ten dienste der E: Comp:e, de twee eerste ge„
tuijgen bekend, zijnde thans in’t hospitael
alhier ziekleggende, dog sijne redenen en
verstand na behooren hebbende en gebruij„
„kende, als ons volkomen bleeck, den welken
in aenmerkinge van desekerheijt des doods
en de onsekere uure van dien, verklaerde
geen as nog descendenten jn't leven te hebben
maar wel tweebroeders Pieter= en
Abraham= van Welteren, binnen destad
hamburg, woonagtigh, dewelke dierhalven
des testateurs erfgenamen abintestato sul„
len zijn, dog dat hij per dese Codicillaire
dispositie uijt eijgen vrij en onbedwongen
wille, zonder inductie of persuagie
van jmand, legateert en bespreekt aan—
Jan Fredrik Trimpelaar, van bergen
in noorwegen, ziekevader ingem: hospitael
alhier, sijn Comp:ts kist en plunderagie,
dus dat gene ’t welk op sijn overlijden in’t
rospitael voormelt bevonden zal
werden, en daarnevens een klijn slaefje
genaamt Fortuijn van banda, synde thans
ook bij hem comparant in’t hospitael
alles voor de bijsondere dienst en handtijkin„
ge, door gemelten Primpelaar aan hem
Comp:s bewesen,
wijders versoekt den Comp:e eerbiedig tot de
verte.
37
van d’ joctraijeerde oost Jndische Comp: ter Camer Amsterdam
voor welke hij in dienst is aengenomen met ootmoedig versoek
omme die aen sijne bovengen: erfgenaem desselvs gemagtigde
of erven te voldoen en uijttekeeren
Pit
Gde


3
ale
1o2

14
139
154:
1
13
18
1:
5

10
