Antónius,	Antónius
Asia,	Asia
Augustus,	Augustus
Batavieren,	Batavieren
Burger.	Burger
Burgerkryg.	Burgerkryg
Catili-	Catili
CiESAR,	CiESAR
Cinna,	Cinna
Cleopatra,	Cleopatra
DER-	DER
DRIEMANNEN.	DRIEMANNEN
Driemannen,	Driemannen
Erfgenaam,	Erfgenaam
Gallie,	Gallie
Godsdienst,	Godsdienst
Hannibal,	Hannibal
Ja,	Ja
Ja;	Ja
Jonkvrouw,	Jonkvrouw
Jugurtha,	Jugurtha
Land.	Land
Mannen,	Mannen
Mannen?	Mannen
Marius,	Marius
Marius?	Marius
Mithridates,	Mithridates
Neen;	Neen
Numidie,	Numidie
OVERWINT.	OVERWINT
Octavianus,	Octavianus
Paftagonie,	Paftagonie
Parthen,	Parthen
Pkarfalie,	Pkarfalie
Pompejus,	Pompejus
Pompejus?	Pompejus
ROME.	ROME
ROMEINEN.	ROMEINEN
Rome,	Rome
Rome;	Rome
Romeinen,	Romeinen
Sertorius,	Sertorius
Soldaat,	Soldaat
Staatkunde,	Staatkunde
Sylla,	Sylla
Tempel,	Tempel
Teutonen;	Teutonen
Vaderland:	Vaderland
Vorst?	Vorst
Waereld.	Waereld
Waereld?	Waereld
Wetten,	Wetten
Zoon.	Zoon
aan,	aan
af?	af
afgelegen'	afgelegen
afmaaken.	afmaaken
algemeen,	algemeen
ar,	ar
baarde,	baarde
bedryven,	bedryven
begon,	begon
bragt.	bragt
brengen,	brengen
daar-	daar
daar?	daar
daarop?	daarop
daar»	daar
dapper,	dapper
deel?!	deel
die,	die
dien,	dien
dood,	dood
dreigde,	dreigde
driemanfchap,	driemanfchap
dus...?	dus
edel,	edel
ftaan.	ftaan
ftilde,	ftilde
gebannen;	gebannen
gedood.	gedood
geeven.	geeven
gee„	gee
gefchonken,	gefchonken
geflaagen.	geflaagen
gefloopt,	gefloopt
gehoorzaamen:	gehoorzaamen
gekastyd;	gekastyd
gezag,	gezag
gezet.	gezet
gierigheid.	gierigheid
grootmoedig,	grootmoedig
hadden.	hadden
hadt,	hadt
heeft.	heeft
heerschzugt,	heerschzugt
houden,	houden
idus...?	idus
in,	in
is?	is
kant?	kant
kort,	kort
kostte,	kostte
kwamen.	kwamen
ledigheid,	ledigheid
leger,	leger
lief-	lief
maaken;	maaken
meer?	meer
men-	men
na,	na
niet,	niet
octavianus;	octavianus
onder,	onder
op,	op
op?	op
overgebleeven,	overgebleeven
pooging,	pooging
rfj)	rfj
rnst?	rnst
sus.	sus
toe.	toe
togten,	togten
u.s,	u.s
uit?	uit
vee!	vee
verbeterde,	verbeterde
verder...?	verder
verder?	verder
verflaagen.	verflaagen
verftooren,	verftooren
vergaan.	vergaan
verloor.	verloor
vermeesteren,	vermeesteren
vermogen.	vermogen
vermoord.	vermoord
verval?	verval
verwarring.	verwarring
verwon,	verwon
verzoend;	verzoend
vlugtende,	vlugtende
voegen?	voegen
volgde,	volgde
volgde;	volgde
voortbragten,	voortbragten
vrede?	vrede
wapenen.	wapenen
waren,	waren
weelde,	weelde
werdt.	werdt
zamenfpande,	zamenfpande
zyn.	zyn
zynde,	zynde
